Alpha
Maatstaf die de afwijking (out/underperformance) van het rendement van een beleggingsportefeuille weergeeft ten opzichte van het rendement van de benchmark. Alpha wordt gebruikt om aan te geven wat de bijdrage van
de vermogensbeheerder is geweest aan het rendement van de portefeuille. Het rendement van de benchmark (bèta), waar de beheerder geen invloed op heeft, wordt daarbij niet meegenomen.
Basispunt (BP)
Een honderdste procent (0,0001 of 0,01%).
Bedrijfsmatige aanpak
Het pensioenfonds besturen als een onderneming door te werken met een balans en een resultatenrekening. Risico’s worden doelmatiger ingezet waardoor met minder risico het beoogde rendement kan worden gerealiseerd.
Bedrijfsresultaat
De som van de resultaten uit de bedrijfsactiviteiten van het pensioenfonds: het beleggingsresultaat (Matchingresultaat en Returnresultaat), het premieresultaat en overig resultaat (o.a. uitvoeringskosten).
Beleggingsrisico
Risico’s verbonden aan het beleggen. De verwachte rendementen kunnen in werkelijkheid hoger of lager uitvallen (‘rendementen uit het verleden bieden geen garantie voor de toekomst’).
Bèta
Maatstaf die weergeeft in welke mate het rendement van een aandeel of beleggingsportefeuille kan stijgen of dalen ten opzichte van het rendement van de benchmark. Bèta kan positief of negatief zijn. De bèta van de benchmark
is over het algemeen 1. Bijvoorbeeld: een portefeuille heeft een beta van 0,6. Een stijging van de benchmark met 1% heeft dan een stijging van 0,6% van de portefeuille tot gevolg.
Bèta-risico
Risico dat beleggingen in waarde dalen als gevolg van een algehele daling van de benchmark. Dit risico wordt ook wel het systematische of nietdiversificeerbare risico genoemd.
Break Even Inflatie
Marktverwachting voor toekomstige inflatie.
Contante waarde
Het bedrag dat op dit moment nodig is om in de toekomst een of meer betalingen te kunnen verrichten. Dit wordt berekend door de kasstroom in de toekomst te delen door 1 + de disconteringsvoet.
Covered bond
Obligaties waarbij aan de obligatiehouder meerdere niveaus van onderpand wordt verstrekt. Als zekerheid (onderpand) staat - naast een vordering op een financiële instelling - een vordering die een financiële instelling op derden heeft (de zogenaamde “cover pool”). Dit kunnen zowel hypothecaire als consumptieve leningen zijn. Deze zekerheid kunnen de eigenaren uitoefenen indien de uitgever van de obligaties zijn verplichtingen niet nakomt in geval van surseance of faillissement.
Dekkingsgraad
De mate waarin de huidige bezittingen de toekomstige verplichtingen kunnen dekken.
Disconteringsvoet
Rendementspercentage waartegen kasstromen contant worden gemaakt om de contante (markt)waarde te bepalen. De disconteringsvoet is afhankelijk van de rente behorend bij de looptijd van de kasstroom. Hoe hoger de
disconteringsvoet en hoe verder in de toekomst de kasstroom plaatsvindt, des te lager zal de contante waarde van de kasstroom zijn.
Diversificatie
Spreiding over verschillende beleggingscategorieën.
Duration
Gewogen gemiddelde looptijd van een lening uitgedrukt in jaren.
First Pensions Pensioenfonds Efficiency Ratio
De doelmatigheid van het gelopen beleggingsrisico versus de verplichtingen, berekend als: verwacht rendement / Value at Risk. Hoe hoger dit getal, hoe meer rendement gemaakt wordt per eenheid verwacht risico.
Financieringskosten
De rentekosten van het lenen van geld ten behoeve van de aankoop van een belegging.
Financieel Toetsingskader
Het nieuwe toezichtregime dat per 1 januari 2007 van toepassing is op de financiële positie en het financiële beleid van pensioenfondsen. Belangrijkste wijziging is dat zowel de bezittingen als verplichtingen worden gewaardeerd op marktwaarde. Het nieuwe toezichtregime is onderdeel van de Pensioenwet.
Indexatie
Verhoging van een pensioen of van een aanspraak op pensioen, die op incidentele basis wordt toegekend of die jaarlijks wordt verleend, op grond van een in het pensioenreglement omschreven regeling.
Inflatie
Koopkrachtuitholling. Met het verstrijken van de jaren kan met een gelijk aantal euro’s steeds minder gekocht worden.
Inflatiecurve
De inflatiecurve is een lijn die het verband weergeeft tussen het niveau van de te handelen inflatie en de bijbehorende looptijd.
Inflatiedruk
De gewogen gemiddelde toeslag die een pensioenfonds per jaar toekent aan de deelnemers. Voorbeeld:
50% actieven: CPI + 1%
50% overigen: CPI
Totale inflatiedruk = CPI + 50% * 1% = CPI + 0,5%
Inflatiemismatch
Verschil in verandering van de waarde van de pensioenverplichtingen en van de Matchingbeleggingen bij een verandering van de verwachte inflatie.
Inflatierisicopremie
Vergoeding die een belegger wenst te ontvangen voor het dragen van het inflatierisico (onzekerheid over hoe de daadwerkelijke inflatie zich zal ontwikkelen ten opzichte van de verwachtingen op dit moment). De inflatierisicopremie is een theoretisch concept, het bestaan hiervan in de praktijk is onzeker.
Inflatieswap
Overeenkomst waarbij twee partijen inflatiebetalingen uitwisselen. De ene betaling is een vast bedrag, bestaande uit de verwachte inflatie op het moment van afsluiten. De andere betaling is een variabel bedrag, bestaande
uit de daadwerkelijk gerealiseerde inflatie over de periode van de swap.
Kapitaaldekking
Financieringsvorm waarmee de pensioenaanspraken en het kapitaal ter dekking van die aanspraken min of meer gelijk tijdig worden opgebouwd.
Kasstromen
Jaarlijkse uitkeringen (kasstromen) met een gelijke looptijd over een bepaalde periode in de toekomst.
Liquiditeitsspread
De vergoeding die een belegger ontvangt voor het aanhouden van obligaties die minder liquide (minder makkelijk te verhandelen) zijn.
Matchingbeleggingen-portefeuille
Beleggingen waarmee het rendement- en risicoprofiel van de verplichtingen (kasstromen) is nagebouwd.
Mismatchresultaat
Winst of verlies dat een pensioenfonds maakt op het verschil tussen haar pensioenverplichtingen en haar Matchingbeleggingen als gevolg van een wijziging van de rente of de inflatie, uitgedrukt in euro.
Mismatchrisico
Het risico dat de waarde van de Matchingbeleggingen gaat afwijken van de waarde van de verplichtingen.
Nominale pensioenverplichtingen
Pensioenverplichtingen gebaseerd op opgebouwde pensioenrechten, waarbij geen rekening gehouden is met een compensatie voor inflatie in de toekomst.
Obligatie
Een schuldbewijs voor een lening die door een (overheids)instelling of een onderneming is aangegaan. Als een bedrijf geld nodig heeft kan het door het uitgeven van een obligatielening geld lenen. De koper van de obligatie
ontvangt van de uitgever een rentevergoeding (coupon). Obligaties noteren normaal gesproken in procenten. Afhankelijk van de algemene rentestand en de perceptie van kredietwaardigheid van de uitgever, zal voor een obligatie meer of minder dan 100% van de hoofdsom moeten worden betaald. Als de algemene rente stijgt of als men de uitgever minder kredietwaardig acht, dan zal de koers van de obligatie dalen, aangezien de toekomstige kasstromen (die gelijk blijven) tegen een hogere rente verdisconteerd worden.
Ophoging inflatie
De toevoeging aan een nominale uitkering om tot een waardevaste uitkering te komen. De waarde van die toevoeging wordt bepaald op basis van de verwachte inflatie.
Outperformance
Zie toegevoegde waarde.
Pensioenaanspraak
Een recht op toekomstige pensioenuitkeringen.
Pensioenfonds
Een fonds waarin vermogen bijeen wordt gebracht ter financiering van de pensioenaanspraken die voortvloeien uit een pensioenregeling. Er zijn bedrijfstakpensioenfondsen, ondernemingspensioenfondsen en beroepspensioenfondsen. Pensioenfondsen staan onder toezicht van de overhead via de Nederlandsche Bank. De rechtsvorm is vaak een stichting.
Pensioenfondsbenchmark
De toekomstige pensioenverplichtingen of kasstromen contant gemaakt tegen de marktrente (rentetermijnstructuur) die in het FTK is vastgelegd, de DNB Swapcurve. Deze curve is gebaseerd op het effectieve rendement van de in de markt verhandelde (zero-coupon) renteswaps.
Pensioentoezegging/-overeenkomst
Toezegging van een werkgever aan een werknemer, om na het bereiken van de pensioenleeftijd, dan wel bij arbeidsongeschiktheid of bij overlijden, een pensioen uit te keren. Dat pensioen kan worden uitgekeerd aan die werknemer zelf of aan diens nabestaanden. Er is sinds de invoering van de Pensioenwet sprake van een wederkerige overeenkomst tussen werkgever en werknemer.
Pensioenregeling
Document waarin de toekomstige pensioenuitkering aan de deelnemers is vastgelegd wanneer zij stoppen met werken. Dit pensioen is altijd ondergebracht bij een pensioenfonds of een verzekeraar.
Pensioenuitkering
Verzamelnaam voor periodieke betalingen, kasstromen, die voortvloeien uit de verhouding werkgever-werknemer. Deze betaling vervangt het vroegere salaris in geval van ouderdom of arbeidsongeschiktheid.
Pensioenpremie
Periodieke betaling aan de uitvoerder van een pensioenregeling voor de financiering van een pensioenaanspraak.
Rating
De rating van een belegging of een onderneming geeft een beoordeling weer van het faillissement-/kredietrisico. De rating wordt vastgesteld door gespecialiseerde bureaus (o.a. S&P, Moody’s, Fitch).
Reële pensioenverplichtingen
Pensioenverplichtingen uitgaande van opgebouwde pensioenrechten, waarbij rekening gehouden is met een compensatie voor inflatie.
Reële rente
Nominale rente minus (verwachte) inflatie.
Rendement
Het positieve of negatieve resultaat dat behaald wordt met het beleggen van daarvoor beschikbare middelen.
Rentecurve
Zie rentetermijnstructuur.
Rentemismatch
Verschil in verandering van de waarde van de pensioenverplichtingen en van de waarde van de Matchingbeleggingen bij een verandering van de rente.
Renterisico
Risico dat de rente stijgt of daalt.
Renteswap
Overeenkomst waarbij twee partijen rentebetalingen over een bepaalde periode met elkaar uitwisselen. Bij een standaard renteswap wordt een vaste rente (de swaprente) vastgesteld bij aanvang van de overeenkomst en geruild met een variabele rente, die gekoppeld is aan een specifieke marktrente (Euribor/Eonia).
Rentetermijnstructuur
De rentetermijnstructuur, of yield-/rentecurve, is een lijn die het verband weergeeft tussen de looptijd van een vastrentende belegging enerzijds en de daarop te ontvangen rente anderzijds. Een normale rentetermijnstructuur
heeft een stijgend verloop.
Returnresultaat
Opbrengst van de Returnportefeuille ná aftrek van de financieringskosten.
Returnbeleggingen/-portefeuille
Beleggingen aangehouden om extra geld te verdienen boven de financieringskosten.
Returnrisico
Het risico dat het rendement van de Returnbeleggingen afwijkt van de financieringskosten.
Risicobudget
Som van de beleggingsrisico’s die een pensioenfonds op haar beleggingen wenst te lopen, uitgedrukt in euro.
Solidariteit
De mate waarin risico gedeeld wordt met andere deelnemers of begunstigden.
Solvabiliteit
De mate waarin de bezittingen van het pensioenfonds (op korte termijn) voldoende zijn om zijn verplichtingen na te komen, uitgedrukt in procenten.
Surplus
De huidige marktwaarde van alle bezittingen minus de huidige waarde van alle verplichtingen.
Surplus at Risk (97,5%)
Het minimale verlies van het surplus, uitgedrukt in euro, dat (statistisch) ééns in de 40 perioden verwacht kan worden.
Swap
Een overeenkomst tussen twee partijen tot het uitwisselen van betalingen gedurende een bepaalde looptijd. Deze betalingen worden verricht over een afgesproken onderliggende waarde. De onderliggende waarde zelf wordt
niet tussen de partijen uitgewisseld. Zie ook renteswap en inflatieswap.
Swapcurve
De swapcurve geeft de relatie weer tussen de looptijd van een swapcontract en de swaprente. Bij iedere looptijd geeft de swapcurve de vaste rente aan waartegen de markt op dat moment bereid is een variabele rente te ruilen.
Swap-overlay
Structuur van rente/inflatiederivaten (rente/inflatieswaps) die over een bestaande obligatieportefeuille wordt gelegd om de totale rente/inflatie gevoeligheid van die obligatieportefeuille aan te passen.
Swaption
Een optie op een swap waarbij de eigenaar van de swaption het recht heeft, maar niet de verplichting, om een swap tegen vooraf bepaalde voorwaarden af te sluiten op en/of voor een bepaald tijdstip.
Swapspread
Het verschil tussen het effectieve rendement op een obligatie en op een renteswap met een vergelijkbare looptijd.
Swapspreadrisico
Risico dat het effectieve rendement van een obligatie kan afwijken van de swaprente met een vergelijkbare looptijd.
Toegevoegde Waarde
Het positieve verschil tussen het behaalde rendement op de beleggingen en het rendement van de benchmark. Met actief beleid gerealiseerde toegevoegde waarde wordt ook wel alpha genoemd.
Value at Risk (VaR)
Risicomaatstaf. De VaR is het verlies dat met een bepaalde waarschijnlijkheid minimaal verwacht kan worden in een bepaalde periode. Voorbeeld: 1 jaars VaR (97,5%) van 5 miljoen euro wil zeggen dat in 2,5% van de 1 jaars perioden een verlies verwacht mag worden van minimal 5 miljoen euro.
Verwachte Inflatie
Sinds het begin van deze eeuw wordt gehandeld in beleggingsinstrumenten gerelateerd aan de Europese consumentenprijsstijgingen. Uit deze instrumenten kan worden herleid wat de verwachte inflatie is over een bepaalde toekomstige periode. Zo ontstaat een inflatiecurve, vergelijkbaar met bijvoorbeeld een rentecurve.
Verdiencapaciteit
Het rendement wat naar verwachting kan worden behaald op een bepaalde Returnportefeuille.
Waarde pensioenverplichtingen
De contante waarde van alle in de toekomst uit te betalen kasstromen/pensioenuitkeringen.
Waardevastheid
De mate waarin de koopkracht van een in de toekomst te betalen pensioenuitkering behouden blijft, uitgedrukt in procenten. Pensioenaanspraken zijn waardevast indien deze na ingang of premievrijmaking jaarlijks worden verhoogd of verlaagd met het hetzelfde percentage waarmee een bepaalde prijsindex in een bepaalde periode is gestegen of gedaald. NB: Pensioenaanspraken worden welvaartsvast door koppeling aan een loonindex.
Yieldcurve
Zie rentetermijnstructuur.